Jan Boezeroen - Vondel was goed
(1979)






Een boertje uit Brabant die was er nooit moe
Verzorgde zijn varkens, zijn stier en zijn
Oma, die meende, een man zoals jij
Die moet er maar trouwen, dat hoort er zo
’s Avonds, heel laat nog, ging hij naar het bal
En trof daar een meisje en liep in de gaten
Want weet je wat zij van hem vond
Hij stonk zo naar mest en hij stonk uit zijn



Vondel was goed
Man, wat kon die rijmen
Als ik het probeer
Merk ik iedere keer
Dat ik er nooit wat van
Vondel was goed



Zij was er een deerne van tweehonderd pond
Het beste beviel hem haar lekkere
Eetlust, want eten deed zij voor de pret
Maar liever had hij toch een engel in
Koken, dat kon ze, dat deed zij allang
Maar werd van de liefde en mannen zo
Droevig, want zij had een heel groot complex
Kerels, die willen alleen toch maar



Vondel was goed
Man, wat kon die rijmen
Als ik het probeer
Merk ik iedere keer
Dat ik er nooit wat van
Vondel was goed



Op zekere avond, zij vonden elkaar
Zij wou eerst niet meegaan, dat vond hij wat
Moeilijk, hij vroeg haar: “Wat wil jij dan doen?”
Zij gaf hem toen eerst een ontzettende
Koffie, die slap was, maar liefde maakt blind
Ging met hem het hooi in en kreeg toen
Een kleurtje, daarom vroeg hij toen om d’r hand
Er kwamen toen baby’s aan lopende



Vondel was goed
Man, wat kon die rijmen
Als ik het probeer
Merk ik iedere keer
Dat ik er nooit wat van



Vondel was goed
Man, wat kon die rijmen
Als ik het probeer
Merk ik iedere keer
Dat ik er nooit wat van
Vondel was goed









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’70                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home